|
| |
Molentypes
|
De Molen van Kloetinge
-
De molen is te bezichtigen op
afspraak of bij aanwezigheid van een molenaar.
-
Molenaars: Jan Willem Bruel en
Rens Deurloo.
|
|
|
|
Molentypes
| Molens
Hoewel molens in meerdere landen voorkomen, hebben zich in
Nederland de meeste variaties ontwikkeld en is de grootste perfectie
in de constructie bereikt. Molens kunnen worden ingedeeld naar hun
uiterlijk, naar hun taak en naar hun bedieningswijze. Tot de
uitvinding van de stoommachine waren molens de belangrijkste
energievoorzieners. In de 19e eeuw telde Nederland nog ruim 10.000
molens. Anno 2007 staan er, volgens de gegevens van de Nederlandse
Molenstichting, 1191 windmolens (in 1981 nog maar 973!) in ons land.
Van de windmolens is meer dan de helft een grondzeiler, zijn er ruim
300 stellingmolens en ruim 120 beltmolens. Voordat de windmolen in
Nederland in de 13e eeuw zijn intrede deed, werd de benodigde
energie voor het malen van graan vaak opgewekt door paarden in een
zogenaamde rosmolen.
Taak
De Nederlandse molens zijn grofweg in drie categorieën in te
delen. De meeste molens werden gebruikt als poldermolen, vooral in
de droogmakerijen. De tweede categorie is die van de korenmolens en
als laatste zijn er de industriemolens. Deze laatste categorie
bestaat zowel uit wind- als uit watermolens.
Bedieningswijze
Wat betreft de poldermolens valt hier onderscheid te maken tussen
de 'binnenkruiers', molens waarvan de kap van binnen uit op de wind
gedraaid kan worden, en de 'buitenkruiers', molens die van buiten af
op de wind gedraaid kunnen worden. Een molen waarvan alleen de kap
kan draaien wordt een 'bovenkruier' genoemd. De term 'onderkruier'
wordt in principe niet gebruikt
|
|
 |
Een rosmolen is een molen waarbij de
aandrijvingkracht wordt geleverd door een paard (ros). In het
verleden waren er boerderijen die zelf een rosmolen hadden maar
meestal stond er in een dorp een grotere rosmolen, vaak aangedreven
door twee paarden. Het principe van het malen is hetzelfde als bij
andere molens. De rosmolen werd voor diverse doeleinden gebruikt:
het malen van graan tot meel, het uitpersen van zaden tot olie of
ook bemaling van water. Molens waar olie werd geperst werden ook
oliemolens genoemd. De grotere rosmolens waren bouwsels waarin
de molenstenen over elkaar rolden of schuurden, terwijl het paard of
het stel paarden buiten het bouwwerk liep. De aandrijving gebeurde
dan via een balk die aan de top van het dak bevestigd was en waaraan
verticaal naar beneden een 'boom' bevestigd was waaraan beneden een
tandwielmechanisme was gemaakt.
|
De torenmolen is een ronde, zwaar gebouwde
stenen windmolen voor het malen van graan, die, wat zijn eerste
vermelding betreft, terug gaat tot 1450.
In Nederland zijn van dit type molen nog exemplaren aanwezig in
Lienden,
Zeddam,
Zevenaar en
Gronsveld. Achter het kasteel van Well (Limburg) bevind zich een
molenromp van een torenmolen, de zogenaamde Drakentoren.
Van de torenmolens (in Lienden, Zeddam en Zevenaar) is alleen de kap
van binnen uit verkruibaar (binnenkruier). De enige torenmolen met
een buitenkruiwerk (buitenkruier) is de molen van Gronsveld in
Maastricht-Gronsveld, provincie Limburg. Zowel binnenkruiers als
buitenkruiers behoren tot de groep van bovenkruiers |
 |
|
 |
De standerdmolen, standaardmolen of
staakmolen is het oudste houten type windmolen in de Lage
Landen. De oudst bekende en onbetwistbare windmolenvermeldingen
dateren van ca. 1180. Waarschijnlijk waren dit standerdmolens.
De standerdmolen komt regelmatig in Zeeland voor, standerdmolens
staan o.a. in
Kloosterzande en
St. Annaland
In de molenkast zitten de complete aandrijving en de maalstenen,
meestal twee koppels. De kast steunt en draait om een zware spil of
standerd (in Vlaanderen staak genoemd) die tot beneden doorloopt. De
molenstenen zitten in de maalstoel, waarbij de onderste steen (de
ligger) vast zit en de bovenste (de loper) in hoogte verstelbaar is.
Om het verstellen te vergemakkelijken is er een regulateur, die met
middelpuntvliedende kracht door middel van gewichten werkt.
|
| De wipmolen (of waterwipmolen) is het
oudste type poldermolen in Nederland en ontwikkelde zich begin
vijftiende eeuw uit de standerdmolen. De wipmolen wordt gekenmerkt door het feit dat het hele
bovenhuis met staart draaibaar is om een koker, die in verticale
stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van de
ondertoren. Hoewel deze molens door de mooie verhoudingen kleiner
lijken, hebben ze vaak respectabele afmetingen; grotere wipmolens
hebben bijvoorbeeld vaak woonruimte in de ondertoren.
Het bovenhuis van de wipmolen is soms in felle
kleuren geschilderd. In het Rijnland zouden wanneer de meerderheid
van het polderbestuur katholiek was, de koppen van de molens rood
geschilderd zijn, en wanneer de meerderheid van het polderbestuur
protestant was, groen of blauw. Het bewijs hiervoor ontbreekt
echter. In het rivierengebied zijn de bovenhuizen vaak donkerbruin,
wat volgens sommigen samenhangt met de gereformeerde gezindte van de
molenaar.
De wipmolen wordt vrijwel altijd gebruikt als poldermolen, dus om
een polder droog te houden. Hiervoor is de molen van oudsher
voorzien van een scheprad aan de buitenzijde van de ondertoren om
polderwater uit te slaan. Pas later (na 1634) kwam de vijzel in
gebruik en werden sommige wipmolens omgebouwd tot vijzelmolen. Een
enkele keer wordt de wipmolen ook als korenmolen gebruikt.
|

|
|
 |
De spinnenkopmolen is een kleine windmolen
met een vlucht (lengte van twee wieken samen) van ongeveer 8 tot 15
meter. Hij is geschikt voor de bemaling van kleine polders. Door de
eenvoud van de molen is hij makkelijk te bedienen. Het bovenhuis
met daaraan de wieken kan horizontaal draaien, waardoor het
wiekenkruis het beste de wind kan vangen. Het onderste deel staat
vast. Door een holle koker loopt de koningsspil van het bovenhuis
naar het onderhuis, waar de overbrenging zit naar de
vijzel. Dit is eenzelfde constructie als gebruikt wordt voor een
wipmolen, maar dan in kleiner formaat.
Spinnekopmolentjes waren vaak eigendom van
boeren, evenals tjaskers. Ze waren wat duurder dan de tjasker, maar
het loopwerk was beter beschermd tegen weer en wind |
| De paltrokmolen is als windmolen een
zeldzaamheid in Nederland. Er resteren er nog slechts 5. Ook in
Duitsland komen paltrokmolens voor, echter zonder de kenmerkende
'vleugels'. De Nederlandse paltrokmolen is altijd een zaagmolen, dit
in tegenstelling tot de Duitse. Kenmerkend voor de paltrokmolen is
dat zij een doorontwikkeling is van de standerdmolen. De standerd is
hier echter als koningsstijl een vast onderdeel van de constructie
geworden. De hele molen is opgehangen aan een zeer zware dwarsbalk
bovenop deze koningsstijl, de koningsbalk. Een ringmuur met rollen
zorgt voor stabiliteit. Uitvinder van de door wind aangedreven
houtzaagmolen is Cornelis Cornelisz van Uitgeest. Hij zal omstreeks
het midden van de zestiende eeuw in Uitgeest zijn geboren.
Corneliszoon bouwde een wipmolen op dezelfde wijze als toen reeds
gebruikelijk was, n.l. een watermolen met scheprad. Met dit verschil
dat hij het scheprad achterwege liet en de wateras verlengde tot ver
buiten de molen. Een met een krukas bewogen zaagraam met krabbelwerk
werd door deze as aangedreven. De krukas bevond zich onder het
zaagraam. Het gehele zaagwerk werd in een apart gebouw naast de
molen ondergebracht. De tekening toont een wipmolen met een slanke
ondertoren, waardoor de overeenkomst met een 'juffer' opvallend was
en de naam 'Het Juffertje' ontstond. Het is deze molen die in 1596
naar Zaandam werd overgebracht en waaruit zich kort daarna de
paltrokmolen ontwikkelde.
Door de uitvinding van Corneliszoon kon hout 30 x sneller worden
gezaagd dan tot dat moment gebruikelijke zagen met handkracht (twee
zagers middels raamzaag of kraanzaag).
Houtzagende paltrokmolens zijn er in 2 typen, de balkenzager,
en de wagenschotzager
Verondersteld wordt dat de molen zijn naam ontleent aan zijn
silhouet: de mantel van een bewoner van de
Palz.
Meer waarschijnlijk is de verwantschap met het oud-Nederlandse
woord 'paltrok', waarmee in de 14e en de 15e eeuw een overkleed voor
mannen werd bedoeld.
De nog resterende 5 Nederlandse paltrokmolens zijn:
|
 |
 |
De (hout)zaagmolen komt in Nederland voor in
twee uitvoeringen:
- als
paltrokmolen of
- als stellingmolen op een zaagschuur.
Hierbij dient de stelling om de molenaar in staat te stellen de
krui-inrichting en de wieken van de molen te bereiken. Met name in
de Zaanstreek, rond Amsterdam en rond Dordrecht werd vanaf 1600 veel
gebruikgemaakt van de
paltrokmolen voor de scheepsbouw aldaar. Door de opkomst van de
scheepsbouw in Noord-Nederland rond 1850 werden toen daar met name
stellingmolens met zaagschuur gebouwd. Bij
paltrokmolens worden te zagen boomstammen met een kraan op
windkracht uit het water van het balkengat gehesen, bij een
zaagmolen met zaagschuur werden de stammen over een sleephelling
vanuit het water met windkracht in de zaagschuur gebracht . Molenerf
de Ster (Utrecht) is het enige compleet bewaard gebleven
houtzaagmolenerf van Nederland. Het bestaat uit de windmolen met
zagerij, de molenaarswoning, twee knechtswoningen en drie
houtdroog-loodsen.
|
| Oliemolens zijn molens speciaal gebouwd om
uit oliehoudende zaden (raapzaad, koolzaad, aardnoten en lijnzaad)
olie te persen. In Nederland werden oliemolens met name in de
Zaanstreek gebruikt voor de fabricage van verf, een samenstelling
van lijnolie met diverse pigmentpoeders. In de landelijke gebieden
in het oosten en zuiden werd uitsluitend voor lokaal gebruik olie
gewonnen uit ter plaatse geteelde gewassen voor bakken en braden van
voedsel en als brandstof voor olielampjes.
|
 |
 |
Een stellingmolen (steen) is
een stenen windmolen die hoog genoeg moet zijn, om binnen de
bebouwde kom voldoende wind te kunnen vangen, de 'vrije windvang'.
Om dan de molen te kunnen bedienen moet er halverwege de hoogte een
stelling zijn (of ook wel omloop, zwichtstelling, galerij, gaanderij
of balie genoemd), die rondom de molen loopt. Vanaf deze stelling
bedient de molenaar de molen om te kruien (dat is de wieken op de
wind draaien) en het voorleggen van de zeilen aan de wieken. Daarmee
zijn het tevens 'bovenkruiers'.
De Molen van Kloetinge is een stellingmolen (steen).
|
| De tjasker is een der kleinste molens in
Nederland. Een tsjasker heeft geen kamwielen in tegenstelling tot
'normale' molens. Op de as waar de wieken doorheen steken, zit
achteraan een tonmolen. Dit is een klein soort vijzel met een
betimmering eromheen. Dit kleinste windmolentype voor het oppompen
van water was omstreeks 1950 bijna uitgestorven. Na 1970 werden
diverse molens nieuw gebouwd. Vooral in natuurgebieden worden dit
soort molens gebruikt om verdroging van kwetsbare gebieden tegen te
gaan. |
 |
|
 |
Een grondzeiler is een windmolen die vanaf de
grond kan worden bediend. Door de gedrongen bouw scheren de
draaiende wieken over het erf rondom de molen. De molen wordt door
de molenaar vanaf de grond opgezeild. Dit type molens werd
gebouwd op locaties waar weinig windbelemmering was, bijvoorbeeld in
de kale polders van West-Nederland. Zo zijn ook bij Kinderdijk een
groot aantal (18) grondzeilers gebouwd. Deze zijn allen bewaard
gebleven. |
| De Zuid-Hollandse poldermolen,
of 'achtkanter' wordt gezien als de 'klassieke poldermolen'.
Deze molen heeft zich ontwikkeld vanuit de binnenkruier, die zich
alleen in Noord-Holland heeft weten te handhaven. Het is een
'buitenkruier', bestaande uit een achtkante stenen onderbouw en een
mooi gedetailleerd, met riet bekleed achtkantig molenlichaam. De kap
van deze molen is beweegbaar en op de wind te kruien met behulp van
het staartwerk en het daaraan bevestigde kruirad. Door het
wielenkruis recht op de wind te zetten kan de molen zijn maximale
kracht ontwikkelen. Net als de Noord-Hollandse poldermolen staat
deze molen ook vaak in een
molengang. In het noorden van het land komen zogenaamde
monniksmolentjes voor. Dit zijn kleine weidemolens die enigszins
lijken op de Zuid-Hollandse poldermolen. |
 |
|
|
|
|
| |
 | |
Het kruirad | |
Uw reclame op deze website? Mail het bestuur! | |
Donateur worden? klik hier | |
Wie wil zo nu en dan helpen met klusjes aan de Molen? Als u dat wilt kunt u contact opnemen met Rens Deurloo 06-50876261 of via e-mail rens@kloetingsemolen.nl | |
Nomineer de Kloetingsemolen als uw goede doel, Klik hier | |

| |
De Stichting tot behoud van de Molen te Kloetinge is aangemerkt als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Vanaf 1-1-2008 zijn giften gedaan aan goeddoelinstellingen aftrekbaar van het belastbaar inkomen. | |
Al donateur van de Kloetingsemolen? | |
Tijdens de nationale monumentendag, zaterdag 11 september, kunt u gezellig een kopje koffie komen drinken bij de Molen. Ook kunt u de molen bezichtigen. Voor de koffie vragen we een geringe vergoeding dat ten goede komt aan de restauratie van de molen. Ook is Bakker Boer weer van de partij. Steun de Molen en kom even langs. |
|